Snelheid was het belangrijkste
wapen van Dosmidvoor Dirk Lammers
ZES TREFFERS ONDANKS EEN GEBROKEN KAAK
Het is de mooiste prijs die Dirk Lammers
heeft gekregen. Niet te vergelijken met de landstitel in 1958 of de zes doelpunten
(waarvan twee kopballen) die hij in 1957 met een gebroken kaak scoorde tegen
Holland Sport.
Trots toont de voormalige midvoor van DOS
de gouden schoen die hij aan het einde van loopbaan kreeg van de drie kinderen.
Een eerbetoon aan zijn karakter en sportiviteit. “Ik denk dat ik uit mijn
loopbaan heb gehaald wat er in zat”, constateert Lammers (65) met de
nuchterheid waarmee hij kansen verzilverde. Die op twee plaatsen gebroken kaak
was nog niets vergeleken met de enkelfractuur waarmee hij een wedstrijd speelde
tegen Elinkwijk. Het deed ‘behoorlijk pijn’ maar Dirk gaf geen krimp. Hij praat
er over alsof het destijds om een lichte blessure handelde. “Ik kom van de Rode
Brug, daar kreeg je een harde opvoeding. Zeuren was uit den boze. Van mijn jeugd
heb ik de rest van mijn leven baat gehad, hard werken en nooit verzaken. Op die
manier heb ik mijn basisplaats bij DOS gekregen.”
Eigenlijk is het een klein wonder dat Dirk
Lammers in het betaald voetbal belandde. Hij voetbalde immers onopvallend bij
een afdelingsclub (Ares) en was nooit opgevallen bij de voetbalscouts van DOS,
Elinkwijk of Velox. De militaire dienst bracht uitkomst voor de laatbloeier.
“Ik moest naar het toenmalige Nederlands-Indië waar een hele competitie werd
georganiseerd voor militairen en burgers uit het vaderland. Bij een wedstrijd
zaten Karel Lotsy en Dick van Rijn toevallig op de tribune. De één was een
bekende KNVB-er, de ander een populaire radioreporter. Na afloop werd er een
reportage gemaakt waarin mijn naam een aantal malen genoemd werd. Die
uitzending is ook in Utrecht te horen geweest. Bij mijn terugkeer in Nederland
stond DOS ineens op de stoep.”
Het was de start van een glansvolle
periode, van 1950 tot 1960 maakte hij naast Ton van der Linden de meeste
treffers voor de Kanaries. “Ik stond trouwens niet meteen in de basis. Henny
Visser was toen de midvoor, maar ze waren niet helemaal tevreden over zijn
inbreng. Tegen Leeuwarden mocht ik invallen en scoorde meteen drie keer. Daarna
was ik vaste kracht en het klikte steeds beter met Van der Linden, Visser,
Krommert en Luiten. DOS had een aanvallend ingestelde ploeg, we kregen veel
goals tegen maar waren ook erg productief. Tegen Feyenoord stonden we binnen
een kwartier met 2-0 achter, maar we wonnen wel met 6-2. Dat soort uitslagen
zijn nu bijna ondenkbaar. Die lui hadden bekende namen als Rijvers, Van der
Gijp, Kerkum en Pieters Graafland in de ploeg. Maar als het ging lopen bij DOS,
was er geen houden aan. Voor niemand.”
Smaakmaker
Dirk Lammers
heeft e
r nooit problemen mee gehad dat hij niet tot de ‘grote’ voetballers van
DOS werd gerekend en bij het publiek minder populair was dan Van der Linden of
De Munck. “Binnen het elftal was er geen rivaliteit, we waren bereid voor
elkaar door het vuur te gaan. Ik had er geen moeite mee dat Ton van der Linden
de smaakmaker was, hij had extra klasse en speelde niet voor niks in Oranje. In
Nijmegen heeft hij ons naar de landstitel geschoten. Tonny stond met zijn rug
naar het doel en plotseling lag de bal in het net achter Jan van de Wint, een
onnavolgbare actie. Ik was te moe om te juichen, er hing een slopende hitte en
we zaten al in de verlenging. Tijdens de rondrit door Utrecht ben ik bijna een
been kwijt geraakt. Ik kwam bij het instappen tussen de klapdeur van de koets
terecht en viel onder dat gevaarte, het liep net goed af.”

Dirk
Lammers in duel met international Jan Notermans van Fortuna ’54. Links kijkt
arbiter Leo Horn toe.
Ook Frans de
Munck had een aparte plaats binnen de DOS-ploeg. Lammers moet nog grinniken
wanneer de prikkelende verhalen over de Zwarte Panter ter tafel komen. “Er
heeft nog nooit iemand in Utrecht zoveel verzekeringen afgesloten als hij. De
Munck was doordeweeks vertegenwoordiger bij een of andere maatschappij en had
veel vrouwelijke klanten. Die man had natuurlijk een enorme uitstraling en dan
wordt nog weleens vergeten dat hij ook een bijzondere keeper was. Niemand
binnen de groep was zo professioneel als Frans, alleen al de manier waarop hij
zich verzorgde en de warming-up deed. Ik ben nooit jaloers op zijn populariteit
geweest, iedereen had een eigen inbreng bij DOS. Snelheid was mijn
belangrijkste wapen, met slimme jongens als Henk Temming en Louis van den
Bogert achter me werd ik regelmatig de diepte ingestuurd.” De familiebinding
was legendarisch bij de Kanaries en ook Nel Lammers, de vrouw van Dirk, kan er
mooie verhalen over vertellen. “Een dag na het kampioenschap was er voor de
mannen een feest georganiseerd in ‘Olympia’ aan de Amsterdamsestraatweg. Wij
hadden toen een eigen vrouwenclub en zijn toen ook gezamenlijk op stap geweest.
Een accordeonist gehuurd en ergens in Utrecht een café gevonden waar we
gezellig zijn doorgezakt. Later op de avond kwamen de mannen ineens binnen, die
waren al uitgefeest en gingen naar ons op zoek. Voor ons hoefde de emancipatie
niet meer uitgevonden te worden, wij stonden ons mannetje toen al. In het
kampioensjaar heeft die onderlinge band de doorslag gegeven, zeker weten.”
Anno 1997 gaat
Dirk Lammers vrijwel niet meer naar het betaald voetbal. “Gelukkig is mijn
gezondheid momenteel weer behoorlijk op orde, een paar jaar terug heb ik
ernstige problemen gehad met mijn longen. Ik wandel nog weleens naar de velden
van Utrecht en Zwaluwen Vooruit. Dat is hier om de hoek. Mijn jongste zoon is
een felle supporter van FC Utrecht, die club is vaak gespreksstof hier in huis.
Ik ga vrijwel nooit naar het stadion, maar volg het allemaal via de televisie.”
Dirk Lammers sloot zijn loopbaan overigens niet af in Galgenwaard, maar bij Go
Ahead. “Ik was toen al 38 en de legendarische Wim Beltman wilde me toch nog
hebben vanwege mijn karakter. Ik ging bij die club al snel door mijn knie heen,
toen was het definitief gebeurd. Ik kon het moeilijk accepteren, voetballen was
toen alles voor me. Maar terugkijkend op mijn loopbaan denk ik dat die gouden
schoen van mijn kinderen toch terecht was. Ik ben als jochie van de Rode Brug
en Ares toch maar mooi landskampioen geworden.”
|