‘Als Tonny was geschopt moest ik het altijd maar weer
opknappen’
HENK TEMMING: RUWE BOLSTER, BLANKE PIT
Soms overdreef Henk Temming wel eens.
Zoals in de uitwedstrijd tegen Wageningen toen teamgenoot Ton van der Linden
zich met een bloedende knie bij hem kwam beklagen. De topscorer van DOS was een
paar keer meedogenloos aangepakt en beklaagde zich bij Temming over het harde
spel van zijn bewaker. “Wacht maar even, je hebt vanmiddag geen last meer van
die jongen”, fluisterde de geblokte middenvelder hem toe. Even later ging de
speler van Wageningen van het veld af, per brancard wel te verstaan. Temming
had woord gehouden.
Ruwe bolster, blanke pit. Henk Temming
(73) glimlacht wanneer hij de profielschets hoort. “Het klopt wel, ik was een
bikkelharde jongen in het veld en daarbuiten juist niet. Dan ben ik vaak nogal
sentimenteel. Wanneer er een medespeler getrapt was mocht ik het opknappen. Met
elf lichtvoetige voetballers word je geen kampioen. Vroeger niet en nu niet.”
Het Nederlands elftal miste Temming op een
haar, het zit hem nog steeds niet helemaal lekker. “Vier keer heb ik reserve
gestaan. Ik moest me beschikbaar houden voor de Olympische Spelen van’48. Hier,
lees deze brief van de voetbalbond maar. De kaartjes voor Londen lagen klaar,
er hoefde maar één speler af te vallen en dan mocht ik afreizen. Iedereen bleef
fit, dus die trip ging jammer genoeg niet door. Regelmatig heeft het Nederlands
elftal een reünie en daarvoor word ik nog steeds niet uitgenodigd. Toch vreemd,
ik heb drie jaar bij de selectie gezeten. Dan hoor je er eigenlijk toch ook een
beetje bij, lijkt me.”
Samen met neef Louis van den Bogert vormde
Temming het middenveld van de Kanaries. “Louis was er voor de korte combinatie
en het technische werk, ik moest het vooral van vrije trappen en
afstandsschoten hebben. Ook nam ik de penalty’s, dat ging me vrijwel altijd
goed af. Alleen Pieters Graafland heeft er ooit één gestopt, maar dat kwam
omdat ik de bal moest overnemen. De Ajax-keeper doorzag in tweede instantie
mijn schijnbeweging en ging naar de goede hoek. Een paar dagen later was hij
bij mij in de sportzaak, als vertegenwoordiger. Toen werd ik nog even
behoorlijk gepest, het koste ons de winnende goal. Een goede keeper trouwens,
Pieters Graafland. Maar lang niet zo goed als Frans de Munck. Dat was pas écht
een kanjer, Frans had veel meer uitstraling.”
Henk Temming mag eigenlijk een beetje
Mister DOS genoemd worden, hij heeft immers de meeste clubwedstrijden achter
zijn naam staan. “Ik heb minder publiciteit gekregen dan andere spelers die aan
de weg timmerden. Ton van der Linden en Frans de Munck waren de blikvangers,
daar kon ik best mee leven. Ik stond al lang in het eerste toen Tonny van der
Linden bij ons kwam. Hij kwam van Voorwaarts en was eigenlijk een laatbloeier.
Het landskampioenschap in Enschede was een prachtige afsluiting van mijn
loopbaan, ik was toen al 34 jaar en moest gaan afbouwen. Toen ik op de
schouders werd genomen was er van de bikkelharde Temming niets meer over. Ik
was enorm ontroerd. Het is toch een eenmalige zaak voor een Utrechtse
voetballer om landskampioen te worden.”

Een
uitgelaten Henk Temming op de schouders van de juichende DOS-supporters na het
behalen van de landstitel in 1958.
Henk Temming mag zich vader van een
Bekende Nederlander noemen en is daar niet weinig trots op. Zijn zoon Henk zong
bij het Goede Doel en is componist van hits van deze groep, Herman van Veen en
René Froger. “Neen, met voetballen was het niks gedaan met Henkie, maar in de
showbizz heeft hij het aardig gemaakt. Het staat nogal ver af van de Utrechtse
voetbalwereld, maar je kan toch zeggen dat vader en zoon landelijke bekendheid
hebben afgedwongen. Ik kan me aardig herkennen in zijn liedjes, dat zal mijn
sentimentele kant wel zijn. Mijn medespelers zullen er wel een beetje om moeten
lachen, want ik stond bekend als harde jongen. Zoals later Johan Neeskens dat
was in Oranje. En niet als iemand die een traantje wegpinkt bij een mooi
luisterliedje.”
Een weinig bekende periode uit het leven
van Henk Temming is zijn internering in een Amersfoorts werkkamp. Hij is er
tamelijk zwijgzaam over. “Ik werd opgepikt door de hulppolitie die
collaboreerde met de Duitsers. Eerst werd ik vastgezet op het Paardenveld,
daarna naar Amersfoort overgebracht en vervolgens naar Duitsland
getransporteerd. Het ging om de periode februari ’44 tot mei ’45, de bevrijding
kwam voor mij als een verlossing. Wel hebben we gelukkig in de oorlog nog een
beetje kunnen doorvoetballen, dat brak de spanning van de bombardementen. Ik
ben nog altijd opgelucht dat ik er doorheen gekomen ben, niet iedereen kan me
dat nazeggen.”
Zijn voetbalperiode begon in 1932, hij
heeft er niet helemaal uitgehaald wat erin zat. “Ik heb in het nationale
B-elftal gevoetbald met spelers als Wim Landman, Rinus Terlouw, Rinus Schaap en
Mick Clavan. Toch spelers met een reputatie. De stap naar Oranje was nog maar
heel klein, maar het lukte net niet.” Toch heeft hij goede herinneringen aan
die beginperiode toen het geldelijk gewin nog op het tweede plan stond. “Van de
premies en het salaris kon je natuurlijk niet leven, dat zou geen vetpot
geweest zijn. Ik ben al snel met de sportzaak begonnen, die heb ik nu nog.
Collega middenstanders zijn er onderdoor gegaan, omdat ze zich door clubs
lieten manipuleren en ver onder de prijs gingen verkopen. Als zakenman probeer
ik net zo rechtlijnig te zijn als op het voetbalveld. Dan weten de mensen
meteen waar ze aan toe zijn en misschien kom je daar het verst mee. Ik heb
nooit erg mijn best gedaan om de populaire jongen uit te hangen. Mensen weten
bij mij precies wie ze voor zich hebben.”
|